Mijn vriend zegt dat hij "beelden" ziet als hij denkt.
Ik lig in mijn bed vaak te denken, maar dan in woorden. Hoe komt het dat wij daarin verschillen?
Wellicht hebben jullie beiden gelijk: we kunnen zowel in woorden als in beelden denken. Eerst wat meer toelichting bij denken in taal, vervolgens bij denken in beelden.
Vygotsky, één van de grote Russische psychologen en filosofen van vorige eeuw, heeft er de nadruk op gelegd dat denken in wezen de verinnerlijkte versie is van het proces van spreken. Spreken hebben we in sociale situaties (met ouders, vrienden, enz.) verworven en dit proces wordt geleidelijk aan geïnterioriseerd. Daarmee bedoelt hij dat het een soort stille dialoog wordt tussen een persoon en zichzelf (sociale interactie met taal tussen mij en mezelf).
Naast dit ontwikkelingsperspectief dat Vygotsky schetst, is het ook a priori zeer aannemelijk dat we in taal denken. Taal is immers een middel om de wereld voor te stellen of, met een technischer term, te representeren. Iets representeren is het opnieuw voorstellen, het vastleggen als het ware (> Franse re-présenter = opnieuw voorstellen, in een ander medium). Daar zijn verschillende mogelijkheden voor: je kan spelende kinderen vastleggen door er een foto van te nemen, door ze te schilderen of na te tekenen, door er een audio-opname van te maken, of door hun spel in taal te beschrijven. Hoewel de doelen van al die manieren om de wereld vast te leggen uiteraard aanzienlijk verschillen hebben ze één aspect gemeen: ze houden vast wat op zich vluchtig is. Taal biedt ons dus een mogelijkheid om zowel onze buitenwereld als onze binnenwereld (gevoelens, enz.) vast te leggen. Door een situatie in taal te gieten kan je ze vasthouden en er een volgende gedachte aan koppelen en kom je zo automatisch bij redeneren terecht. Redeneren is onmogelijk als je geen opeenvolging hebt van talige gedachten die op een consequente manier samenhangen en tot een (hopelijk) logische conclusie leiden. Gedachten zijn te vaag en te vluchtig dat je ze zo kwijt bent als je ze niet in taal giet. Taal is een noodzakelijke voorwaarde om te kunnen denken.
Daarom kunnen dieren ook niet redeneren of denken. Zij hebben hooguit een beperkt aantal, meestal aangeboren, gedragingen om te communiceren en kunnen daardoor weliswaar elkaars gedrag sturen (alarmkreten leiden tot vluchten, enz.) maar niet de wereld in taal vastleggen. Zij beschikken immers niet over de twee kerncapaciteiten die nodig zijn om van een taal te spreken die ons in staat stelt om de werkelijkheid vast te leggen voor onszelf, met die talige representaties ons denken op te bouwen: (i) de mogelijkheid om voor elk denkbaar en voor ons nuttig verschijnsel een zelf verzonnen (dus niet aangeboren) naam te bedenken (= symbolisch vermogen) en (ii) de mogelijkheid om die symbolen te ordenen volgens grammaticale patronen, die ervoor zorgen dat de betekenis van een zin niet de som is van de betekenissen van de worden (bv. De panter doodt de leeuw betekent iets anders dan de leeuw doodt de panter; = grammaticaal vermogen). Dieren kunnen de realiteit niet ver-talen (omzetten in taal) en kunnen daardoor ook niet redeneren. Wat overigens niet betekent dat ze geen enkele vorm van geheugen of leercapaciteit bezitten; ze kunnen er door het ontbreken van een taalvermogen gewoonweg veel minder mee aanvangen.
Denken in beelden is echter ook mogelijk. Naast onze talige capaciteiten bezitten we immers het vermogen om beelden in onze geest te manipuleren. Dat is gebleken uit experimenten waarin gebruik werd gemaakt van objecten die uit kubusjes werden opgebouwd (zie bijgevoegde foto). Proefpersonen kregen twee zulke objecten te zien en moesten zo snel mogelijk antwoorden of het om twee dezelfde objecten ging of niet. Bij niet-identieke objecten was de oriëntatie van één van de kubusjes bv. anders. Het tweede object was altijd een aantal graden gedraaid t.o.v. het eerste. De resultaten wezen uit dat de reactiesnelheid van de proefpersonen voorspeld werd door het aantal graden waarmee de objecten t.o.v. elkaar gedraaid waren. Dit toonde aan dat mensen in hun geest beelden manipuleren (hier: ronddraaien, zoals je het object in je hand zou ronddraaien) bij het oplossen van een probleem en dus in beelden kunnen denken. Al moet toegegeven worden dat deze vorm van denken minder complex is dan het opbouwen van een redenering.
Hetzelfde fenomeen (beelddenken) kan zich overigens voordoen bij programmeren. Stel dat je een tabel hebt die bestaat uit 20 kolommen en 30 rijen en dat er zich in elke cel van de tabel een getal bevindt (een zgn. getallenmatrix). Stel verder dat je met een programma elk van de 600 getallen moet omzetten in een percentage. Dit probleem kan je visueel oplossen door je visueel voor te stellen dat er een wijzertje over de tabel loopt en dat telkens het wijzertje een cel aanwijst de opdracht (zet om in percentage) wordt uitgevoerd. Dat beeld zou je dan als volgt kunnen beschrijven:
wijzertje gaat in kolom 1 van boven naar beneden, van rij 1 tot rij 30
in elke cel wordt het getal omgezet in een percentage
op het einde van kolom 1 (na rij 30 dus) gaat het wijzertje naar kolom 2
dit proces herhaalt zich tot op het einde van de matrix
Wie dit beeld voor ogen houdt, kan dit nu gemakkelijk omzetten naar computertaal (of in eerste instantie naar een algoritme in woorden):
Doe voor elke kolom van 1 tot 20 het volgende:
Doe voor elke rij van 1 tot 30 het volgende:
Zet getal om in percentage
Ga naar volgende rij
Bij einde rij, ga naar volgende kolom
Bij einde laatste kolom, ga naar volgende instructie
In dit voorbeeld wordt uitgegaan van denken in beelden en wordt dit beelddenken omgezet in symbolen, wat een vorm van taaldenken is. Er bestaat hier dus een wisselwerking tussen denken in beelden en denken in woorden. Het is zeer aannemelijk dat die wisselwerking in veel vormen van ons dagdagelijkse denken aanwezig is, wat niet wegneemt dat de ene persoon meer bedreven is in beelddenken (misschien zijn dat de personen die goed zijn in programmeren of in geometrie in de wiskunde bv.) en mensen die meer bedreven zijn in taaldenken.
Er zijn nog geen reacties op deze vraag.
Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.