Wat is de etymologische oorsprong van deze woorden? Van welke woorden stammen ze af?
Beste Willem,
In het Brabants Etymologisch Woordenboek: De herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant (Davidsfonds / Waanders, 2010) lees ik op p. 227 bij kadij: "zn. [= zelfstandig naamwoord]: feest, smulpartij; ruzie, krakeel. Uit Fr. [= Frans] décadi, de tiende dag en rustdag van de decade in de Franse republikeinse kalender (1792-1805). Smul- en drinkpartijen gaven wel eens aanleiding tot ruzie, vandaar de tweede betekenis."
Zie ook: https://etymologiebank.nl/trefwoord/kadij.
Vermoedelijk is het door jou genoemde kadeil hetzelfde als kadij in dat woordenboek.
Over het woord roesoesoe vind ik nergens informatie die met zekerheid naar de oorsprong van dat woord verwijst. Het zou gezien de klankherhaling wel eens om een expressieve klankvorming kunnen gaan, iets wat je wel vaker in dialecten ziet. Een spel met klanken dus, gebaseerd op een grondwoord dat "roes" of "ruis" zou kunnen zijn.
Hartelijke groet,
Peter Debrabandere
Dank voor het antwoord! Ik was intussen ook wat aan het neuzen en vond voor 'kadeil': Een oud-Nederlands woord 'deilen' betekende dreunen, beven, schokken. Vermoedelijk is de dialectvorm een samensmelting door het voorvoegsel 'ka' uit 'kabaal' en bekwam men alzo 'kadeil'. Grtzzz
Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.
Nederlands Specialismen: Nederlands (algemeen), Nederlands in België (Belgisch-Nederlands), Standaardnederlands, taalnormen, taalveranderingen, taalzorg, taaladvies