WO II, vele Joodse woningeigenaars keren in 44/45 niet terug. Hoe konden deze woningen (van wie, door wie...) aangekocht worden? Of werden ze gewoon in bezit genomen, zonder meer?
Een goed en volledig antwoord op uw vraag staat hier, zij het voornamelijk op basis van de situatie in Antwerpen:
http://www.cegesoma.be/docs/media/chtp_beg/chtp_13_14/chtp13_14_008_Dossier2_VandenDaelen.pdf
Heel in het kort:
Best interessant maar naar mijn gevoel erg onvolledig. Een belangrijke vraag blijft; hoe kwamen de "nieuwe" eigenaars in het bezit van dergelijke woningen ? Aan wie werd er betaald en onder welke voorwaarden (was er een administratie voor toezicht, wie bepaalde de marktwaarde, aan wie of wat werd er betaald, misbruiken, vriendendiensten ... )? De werkelijke eigenaars waren immers niet meer levend en konden niet protesteren !
De meeste van die woningen (en gronden, en bedrijfsgebouwen) kwamen tijdens de oorlogsjaren eerst in handen van de Militärverwaltung, die daarvoor beheerders had. Het beheer bestond erin om de goederen te verkopen, te verhuren of zelfs weg te schenken - een echt militair gebruik was er niet. Er was dus wel een administratie, die per stad bijhield welke goederen op welke manier werden opgeëist, en aan wie en onder welke prijs werd doorverkocht of verhuurd. Over de werking van die Verwaltungsdiensten is wel degelijk archiefmateriaal ter beschikking. Een moeilijkheid is wel dat vanaf de oprichting van die diensten in 1942, de goederen vaak nog door veel andere handen gingen, die niet altijd op de hoogte waren van de oorsprong ervan. Een ander deel werd echter uit noodzaak afgestaan of doorverkocht aan derde partijen, en valt daarom moeilijker te retraceren; alleen kadastergegevens kunnen iets zeggen over overdracht van eigendom, maar dat zegt bijvoorbeeld weinig over verhuur of over het vrijwillige karakter van de overdracht, of over de werkelijke marktwaarde, of over bijkomende voorwaarden. Onroerend goed werd uit veiligheid bij niet-Joodse vrienden 'geparkeerd' (maar niet altijd netjes teruggegeven!), of onder dwang aan een Duitsgezinde familie of concurrent verkocht voor een habbekrats of voor een vage belofte van bescherming. Dat deel onroerend goed is veel moeilijker te retraceren, zelfs ondanks de oprichting van een Belgische dienst voor Sekwester en van de wet van 1951.
Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.