Moest men vroeger bij het vervoeren van een lijk in elke gepasseerde gemeente tol betalen?

Nicole, 59 jaar
1 februari 2016

En zo ja, is dat nog steeds zo? Ik heb dat als kind wel eens horen beweren.

Antwoord

Nee, helemaal juist is het niet. Vroeger kon de gemeente van overlijden ook een belasting heffen wanneer de overledene elders werd begraven, nu kan enkel de gemeente waar wordt begraven dat nog doen. Gemeenten die door een lijkenvervoer gewoon doorkruisd werden, hadden vroeger weliswaar een belastingregelement daarvoor, maar heften de belasting zelden omdat ze moeilijk controleerbaar en afdwingbaar was. Bovendien was er tussen 1975 en 2004 erg veel onduidelijkheid over of er wel zo'n belastingen mochten geheven worden. Dat hangt ook wel samen met de gemeentelijke financiering (vroeger vooral uit allerlei exotische belastingen en heffingen, sinds 1980 meer uit een gemeentefonds), met getouwtrek tussen 'ziekenhuisgemeenten' en 'begraafplaatsgemeenten' en met het algemeen inperken van gemeentelijke (belastings-)bevoegdheden.

  1. De wet van 20 juli 1971 op begraafplaatsen en lijkbezorging stelde kort gezegd dat de gemeenten alle bevoegdheid hadden: wie, waar en hoe lijkstoeten en begravingen werden georganiseerd, uiteraard wel altijd 'ordelijk, welvoegelijk en respectvol'. Maar een gemeente kon dus beslissen om via een eigen gemeentelijke begrafenisdienst een monopolie te stellen, of één of meer concessiehouders daarvoor aan te stellen, het aan de private ondernemers over te laten en eigen belastingtarieven voor dat alles te maken. Alle heffingen daarop noemde men 'belasting', ongeacht of de gemeente ook effectief een tegenprestatie leverde, hetgeen bij privaat lijkenvervoer met begrafenis elders meestal niet het geval was.
  2. De wet van 28 januari 1975 op gemeentebelastingen op het lijkenvervoer regelde een wantoestand waarbij gemeenten met grote ziekenhuizen, vooral in het Brusselse, zeer hoge belastingen op lijkenvervoer hadden voor overledenen die elders werden begraven. De wet legde een verbod op belastingen op lijkenvervoer in strikte zin op en liet die alleen toe voor de gemeente waar de overledene werd begraven (dus met een dienstverlening die tegenover de belasting stond: inrichting en beheer van begraafplaats, werk van gemeentelijke arbeiders). Pure retributies voor lijkenvervoer over het grondgebied (zonder tegenprestatie) werden eigenlijk uitgesloten.
  3. Maar net na de publicatie van die wet in september van dat jaar, verscheen een ministeriële omzendbrief van 8 september 1975 die de hele wet onderuit haalde. Eigenlijk maakte de minister van Binnenlandse Zaken (fusieminister Joseph Michel) een combinatie van de twee bovenstaande wetten: als een gemeente bepaalde dat bij lijkenvervoer in strikte zin (zonder begrafenis op het eigen grondgebied) toch de aanwezigheid van haar personeel verplicht was (voor kisting, vervoer, bijwerken van bevolkingsregister), dan kon ze toch blijven belastingen heffen, weliswaar dan met een plafond van max. 1500 Belgische frank. De brief legde uit dat de wet verbood om zomaar een lijkenvervoerbelasting te heffen, maar wel toeliet om een gemeentelijke verplichting op het gebruik van een gemeentelijke lijkwagen te heffen, mèt de bijhorende belasting.

Wet en brief spraken elkaar dus tegen: enerzijds een absoluut verbod op enige belasting indien er geen begrafenis op het grondgebied plaatsvond, anderzijds toch een achterpoort als daarbij gemeentelijke dienstverlening verplicht werd gesteld en het niet om al te hoge bedragen ging. Gemeenten pasten hun reglementen aan aan de omzendbrief, provinciegouverneurs moesten die gemeentelijke belastingverorderningen goedkeuren. Bovendien bleven oude gemeentelijke verordeningen voortbestaan, en maakten sommige gemeentelijke verordeningen rare kronkels (vb. men kon het gebruik van de gemeentelijke lijkwagen 'vermijden' door de retributie te betalen). Onduidelijkheid maakte dat de wet van 1975 weinig werd nageleefd, en 'lijkenvervoerbelasting' bleef bestaan. Pluspunt: gemeenten die enkel 'gepasseerd' werden door lijkenvervoer, konden daarvoor onmogelijk belastingen heffen, er moest wel degelijk 'iets' tegenover staan.

Omdat het om een vrij lage belasting ging, die bovendien door de nabestaanden werd gedragen (bij armenbegrafenissen kiest men altijd de begraafplaats binnen de gemeente van overlijden zelf; de uitvaartsector zelf ondervond weinig last van de belastingen), werd de omzendbrief van september 1975 nooit uitgedaagd voor de Raad van State. Die haar nochtans hoogstwaarschijnlijk zou onderuit halen, door haar gewoon naast de wettekst te leggen. 

Door de staatshervorming van 2001 werd op 1 januari 2002 de regeling van begrafenissen en lijkenvervoer een gewestelijke bevoegdheid.

  1. Het decreet van 16 januari 2004 regelde begrafenissen in het Vlaams Gewest. Hoewel veel uitgebreider dan de voorgaande (met bijvoorbeeld bepalingen over internationaal lijkenvervoer, opgravingen, strooiweiden) en meer gecentraliseerd (lijken moeten individueel en in een lijkwagen worden vervoerd, hooguit worden gedragen; asurnes niet; gemeenten mogelijk geen monopolie meer hebben op lijkenvervoer; Vlaanderen bepaalt voortaan de normen voor begraafplaatsen en crematoria) blijven de principes gelijk aan die van de bovenstaande wetten: gemeenten leggen de regels vast, maar mogen alleen belastingen heffen op diensten die bij de teraardebestelling of uitstrooiing betrekking hebben, niet op het vervoer alleen.

Er waren nog hier en daar gemeenten die de belasting toch behielden, hoewel ze tegen de letter en de geest van de wet en het decreet ging. Zo werden door Binnenlands Bestuur in januari 2013 de gemeenten er nog een keertje aan herinnerd: "7.De wet van 28 januari 1975 verbiedt gemeentebelastingen op het lijkenvervoer."

 

Reacties op dit antwoord

  • 17/02/2016 - Nicole (vraagsteller)

    Bedankt voor het uitvoerige antwoord!

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Zoek andere vragen

© 2008-2026
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door Eos wetenschap. Voor vragen over het platform kan je terecht bij ikhebeenvraag@eos.be