In het Nederlands heten die symbolen op kaartspellen vreemd genoeg 'kleuren'. Ze zijn eerder toevallig gegroeid uit een aantal varianten in de 14de en 15de eeuw, en daarna snel wijd verspreid geraakt, ondanks alle pogingen tot varianten.
Vreemd is wel dat iedereen - wellicht gedwongen door spelregels - koos voor vier 'kleuren' met een gelijk aantal kaarten, en geen hiërarchie tussen de kleuren onderling. Een even aantal kleuren vergemakkelijkt deelbaarheid van de 'boeken'. De gelijkheid tussen de kleuren, maakt het mogelijk om voor de duur van één spel, of zelfs een onderdeel van een spel, een willekeurige kleur 'troef' te maken en dus belangrijker dan de andere drie - en dat te wisselen. De Franse producenten verhoogden in dezelfde periode ook het aantal kaarten per kleur tot 13: 10 genummerde kaarten, en 3 figuurkaarten. De jokerkaart, die niet tot een bepaalde kleur behoort, werd pas later toegevoegd, wellicht vanuit tarotspellen. De vier verschillende kleuren waren niet altijd in rood en zwart gemaakt. Vroege spellen hadden zelfs voor elke kleur een aparte kleur, met gele of blauwe diamanten en groene klaveren. Een voordeel van het systeem om zwart en rood te gebruiken, is dat een spel ook makkelijker in twee groepen kan worden onderverdeeld (zwarte versus rode kaarten).
De regels die daarrond bedacht werden, hielden eigenlijk de ontwikkeling van nieuwe varianten tegen. In de jaren 1930 werd speciaal voor bridge geëxperimenteerd met een vijfde kleur, soms grijze kronen, soms groene bladeren, adelaars of torens, of rood-zwarte sterren.
Er zijn nog geen reacties op deze vraag.
Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.