(nachtelijk) toegangsprotocol stad Gent circa 1700

Rodrik, 42 jaar
18 april 2015

Geachte heer/mevrouw,

Omdat onze grote roofdieren in Europa richting uitsterven weggleden, wordt er op Europees niveau momenteel hard gewerkt aan de wettelijke bescherming en terugkeer van die grote roofdieren, zoals de bruine beer, de lynx en de wolf.

Deze ommezwaai in het beleid was hoognodig, want de mens was goed op weg deze diersoorten uit te roeien. Nog niet zo bijzonder lang geleden zagen overheden het als hun taak de wolf actief uit te roeien. Per gedode wolf werd in het verleden een premie voorzien door de overheid. Vlaamse provincies bestonden er nog niet rond 1700 na Christus. Ook kwam het gebied van het Graafschap Vlaanderen destijds niet overeen met het gebied dat we vandaag als Vlaanderen kennen. Maar het gebied van de huidige provincies Oost- en West-Vlaanderen lag toen ook al wel binnen de grenzen van het Graafschap Vlaanderen. Voor de vermelde provincies vervulden het Burggraafschap Gent en het Burggraafschap Brugge destijds de belangrijkste administratieve en juridische overheidsfuncties, als ik me juist informeerde. Het waren diezelfde Burggraafschappen die premies uitbetaalden aan burgers die een wolf doodden, (of Gent toch in elk geval, waar wolfspoten aan de poorten van het Gravensteen genageld werden,
volgens onderstaande link). Een politiek die het gewenste resultaat behaalde: Mijn verhaal gaat over de laatste wolf die rondzwierf in Vlaanderen, en er in 1736 neergeschoten werd.

In verband daarmee, las ik op http://cobra.be/cm/cobra/architectuur%2B%2526%2Berfgoed/erfgoed/1.2015072 geboeid het artikel over de gemummificeerde wolvenpoot die in het archief van het MAS gevonden werd.

Zelf schrijf ik graag, met een voorliefde voor kortverhalen, gedichten en fabels waarin het sprookjesachtige verweven wordt met historisch correcte gegevens en/of natuureducatie (de ernstigere, educatieve toelichtingen in bijschriften weergegeven). In die stijl schrijf ik momenteel ook een creatieve naamverklaring voor het plantje Zeewolfsmelk in de vorm van een educatief kortverhaal. Het verhaal beschrijft de laatste wolvin die in onze kustregio toevlucht zocht na uitroeiing van haar roedel, en dus Zeewolf genoemd werd door de plaatselijke kustbewoners. Het gaat om een wolvin, met een sterke moederdrang. Daar zij echter als laatste exemplaar rondzwerft, is voortplanting voor haar simpelweg uitgesloten. Haar kinderwens brandt zodanig sterk, dat er tijdens haar zoektochten door de duinen naar een mannetjeswolf melk uit haar tepels druppelt. Op plaatsen waar die druppels vielen, kwamen plantjes tevoorschijn waarvan het sap op de huid een even brandend
gevoel veroorzaakt als de onvervulde kinderwens van de wolvin. Vandaar de plantennaam Zeewolfsmelk.

Een fabelwolf kan altijd net iets meer dan een echte wolf, dus gaat de wolvin in mijn verhaal op onderzoek in de hoofdstad van een Burggraafschap, (Gent waarschijnlijk, conform de historische feiten in de link), in de hoop het mysterie van de afgehakte wolfspoten op te lossen. Daartoe sluipt ze bij avondschemering tussen de wielen van een ossenkar, en door het duister en de ossenkar verborgen, komt ze ongezien de stad binnen waar ze het antwoord op haar vragen vindt.

Ik weet niet in hoeverre u ook in dit tijdssegment geïnteresseerd en onderlegd bent, maar ik vraag hierbij toch graag uw mening of eventueel een doorverwijzing: Mijn vraag is of stad Gent rond 1736 's avonds laat of zelfs 's nachts toegankelijk was (voor handelaars in huiden en premiejagers, in dit geval). En zo ja, welke eventuele procedures er bestonden voordat een vermoedelijke brug over een slotgracht neergelaten werd voor late bezoekers.

Een bijkomende vraag is of u er een idee van heeft welke officiële titel de ambtenaar had die de afgehakte wolfspoten ontving en de premies voor het doden van de wolven uitdeelde.

Een derde vraag is of u weet heeft van een bepaalde vorm van hiërarchie tussen Burggraafschap Brugge en Burggraafschap Gent ten tijde van dit verhaal. Op juridisch/administratief vlak bijvoorbeeld. Waren beide burggraafschappen gelijkwaardige partners of kon men voor bepaalde administratieve zaken zoals bijvoorbeeld die wolvenpremie enkel in Gent terecht?

Dank bij voorbaat voor eender welke inlichting hieromtrent.
Vanzelfsprekend neem ik de gewenste vermelding in het bijschrift bij het verhaal op, aangaande eventuele informatie die u me zou verstrekken.

Met vriendelijke groeten,
Rodrik

http://www.bloggen.be/pennevluchten
http://www.bloggen.be/toetsengetokkel


Rodrik Steverlynck
Gildenstraat 8
8300 Knokke-Heist

Antwoord

Beste Rodrik,

Wellicht kan men u bij het Gentse stadsarchief, bij de gidsenverenigingen of bij het STAM aan preciezere informatie helpen. Er is aan de UGent een licentiaatsverhandeling geschreven door Karen De Schepper over de Wolvenjacht in de Zuidelijke Nederlanden in de 16de-18de eeuw.

Om toch op uw vragen al een antwoord te bieden:

  1. Vanaf 1781 werden de Gentse stadspoorten en vesten gedeeltelijk ontmanteld, omdat ze meer nadeel (verkeersproblemen en plaatsgebrek) dan voordeel (inkomsten en bescherming) opleverden. Dat betekent vermoedelijk dat in pakweg 1736 de poorten al langer en frequenter open waren dan in de eeuwen voordien.
  2. De premies werden uitgeloofd door de kasselrijen, die ook het bedrag vastlegden volgens leeftijd en geslacht van het dier, en de voorwaarden bepaalden voor te leveren bewijzen. De verantwoordelijkheid daarvoor lag bij de baljuw, in dit geval de hoofdbaljuw van Gent, verantwoordelijk ambtenaar voor financiën en rechtspraak in de kasselrij Oudburg. Die man werd bijgestaan door sergeanten, militiemannen en jagers. In de kasselrij van Oudburg lag die premie vrij hoog in vergelijking tot andere gebieden (Brugse Vrije, Waasland, Vier Ambachten, Kempen...), zeker in de 17de en 18de eeuw, en werd er regelmatig aan de premies gewerkt, wat erop wijst dat het systeem niet goed meer werkte.
  3. Zowel het Brugse Vrije als de kasselrij Oudburg hadden eigen wolvenpremies, hetgeen er wellicht toe leidde dat jagers met hun gedode dieren 'shopten' voor de gunstigste voorwaarden, of zelfs ermee twee keer langs de kassa passeerden. Zo werden vaak herhaald dat er toch getuigen nodig waren om de plaats van vangst te bevestigen - hetgeen bevestigt dat men vaak vermoedde dat zoiets niet het geval was. Knesselare lag binnen de kasselrij Oudburg, maar op een boogscheut van Beernem, zo men ook wilde beweren dat het dier op het grondgebied van het Brugse Vrije was gedood.

 

Reacties op dit antwoord

  • 30/04/2015 - Rodrik (vraagsteller)

    Bijzonder vriendelijke dank, beste heer Catteeuw! Rodrik

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Beantwoord door

Dr. Karl Catteeuw

Geschiedenis van opvoeding en onderwijs, Roemeens, muziek

Katholieke Universiteit Leuven
Oude Markt 13 3000 Leuven
https://www.kuleuven.be/

Zoek andere vragen

© 2008-2026
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door Eos wetenschap. Voor vragen over het platform kan je terecht bij ikhebeenvraag@eos.be