Hoe kunnen sterrenstelsels zich met een snelheid groter dan het licht van ons verwijderen?

Jordy, 21 jaar
1 juli 2011

http://en.wikipedia.org/wiki/Faster-than-light#Universal_expansion

Op deze pagina op wikipedia staat uitgelegd dat door de uitdeining van het heelal sterrenstelsel zich van ons bewegen met een snelheid groter dan het licht. Hoe kan dit precies, aangezien wij volgens de relativiteitstheorie niets zouden mogen zien van ons weggaan aan een snelheid groter dan het licht.

Er is blijkbaar een veelgebruikte analogie met een ballon, maar ik vind die analogie persoonlijk nog steeds niet uitleggen hoe dat kan.

Antwoord


Het onzorgvuldige in de formulering die u citeert van Wikepedia, is dat de sterrenstelsels eigenlijk niet bewegen, het is de ruimte waarin ze bestaan die uitzet.  Zo moet u ook de analogie met de ballon begrijpen.  Tekens aangebracht op de ballon bewegen niet op de ballon als u hem opblaast, maar hun onderlinge afstand wordt wel groter.

Het bewegen IN de ruimte kan volgens de relativiteitstheorie niet sneller dan met de lichtsnelheid, maar het zich verwijderen van twee punten van elkaar door het groeien VAN de ruimte kan wel met een snelheid groter dan de lichtsnelheid.

Hoe dan ook, informatie uit punten van de ruimte die zich sneller dan het licht van ons verwijderen, kan niet tot ons komen, vermits de afstand die die informatie per seconde aflegt (300000 km) kleiner is dan de afstand waarmee de verwijdering is aangegroeid in die seconde.  Hoe verder een punt van ons staat, hoe sneller het zich verwijdert.  Er is dus een verste afstand waarover wij kunnen kijken sinds de oerknal 13.7 miljard jaar geleden, en die afstand noemen we de kosmische horizon. 

Hoe verder we kijken, hoe verder ook we in het verleden kijken.  De kosmische horizon komt precies overeen met de oerknal zelf.

Reacties op dit antwoord

Er zijn nog geen reacties op deze vraag.

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Zoek andere vragen

© 2008-2022
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door het
Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen