Waarom “kruipt” de was steeds in m’n donsovertrek als ik die was?

Kris, 50 jaar
25 november 2025

Nochtans is het een hele toer om er een donsdeken in te steken. Maar als je was draait met een donsovertrek en een matrashoes in één machine, dan “kruipt” die matrashoes steevast in het donsovertrek. Vooral kleine stukken was zoals een zakdoek, of kussensloop. Die kruipen er ook makkelijk in. Hoe vraag ik me af.

Antwoord

Dag Kris,

Leuke vraag, en het achterliggende principe is eigenlijk behoorlijk belangrijk voor ontzettend veel wetenschappelijke disciplines. Je kan elk proces beschrijven op basis van hoeveel energie het kost of opbrengt. In het geval van een zakdoek (of ander klein stuk was) die in een donsovertrek terecht komt, kost het wat energie om in de overtrek terecht te komen. De wasmachine voorziet die energie door urenlang te draaien. Die energie kan je gerust zien als de praktische 'moeite' dat het kost. De beschrijving op basis van 'energie' zorgt meteen ook voor andere inzichten:

  1. De energie die nodig is om terug uit de overtrek te raken is vermoedelijk groter dan die om erin te raken: eens de zakdoek erin zit, zit het dichter opgesloten, en kan het minder vrij bewegen. De energie die nodig is om de zakdoek 'los' te krijgen van de overtrek is zo groter, waardoor de kans relatief groot is dat jij de zakdoek uiteindelijk in de overtrek vindt als de was klaar is.
  2. Hoe groter het stuk wasgoed, hoe meer energie het kost om in de overtrek terecht te komen. Als je het genoeg tijd en omwentelingen geeft, kan ook -pakweg- een broek in de overtrek terechtkomen, maar dat is gewoon minder waarschijnlijk: als één pijp in de overtrek zit, kan het zijn dat de andere niet meewil, waardoor de broek in z'n geheel er nooit volledig in raakt, etc.
  3. Het donsdeken zelf is zo groot, dat de energie die nodig is om het in de overtrek te krijgen bijzonder groot is. Dat komt vooral door de wrijving tussen deken en overtrek. Het resultaat is het gekende worstelgevecht, dat die energie oplevert.

Zoals je misschien merkt uit m'n beschrijving, zijn 'nodige energie' en 'waarschijnlijkheid' aan elkaar gelinkt: hoe lager de energie die nodig is, hoe waarschijnlijker iets is. Dat is exact wat het onderliggende proces is in erg veel onderzoeksgebieden binnen de toegepaste chemie, fysica en materiaalkunde: veel processen zijn in theorie wel mogelijk, maar de hoge energie die noodzakelijk is zorgt ervoor dat de processen erg traag lopen. Denk bijvoorbeeld aan het opkuisen van PFAS, wat nu heel actueel is: er bestaan ongetwijfeld processen die in staat zijn om die stoffen op te vangen, maar de grootte van de moleculen zorgen ervoor dat het gedrag vergelijkbaar is met een broek in de wasmachine. Om ze echt op te vangen, moet het donsdeken groter worden, de broek kleiner, of moet de wasmachine meer energie voorzien. Tegelijk moet het omgekeerde proces best ook meer energie kosten, zodat het waarschijnlijker is dat de moleculen opgevangen blijven, en niet meteen weer loslaten. Andere actuele voorbeelden zijn: CO₂-opslag, waterstofopslag, waterzuivering, herlaadbare batterijen, mondmaskers tegen luchtverontreiniging, technieken om stoffen te scheiden...

Je kan termen als 'adsorptie' en 'desorptie' opzoeken als je meer info wil over deze wetenschappelijke processen.

Reacties op dit antwoord

Er zijn nog geen reacties op deze vraag.

Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.

Zoek andere vragen

© 2008-2025
Ik heb een vraag wordt gecoördineerd door Eos wetenschap. Voor vragen over het platform kan je terecht bij liam.verbinnen@eos.be