Die oefening komt me heel bekend voor van toen ik nog hoogleraar was aan de Groep T campus van de faculteit IIW van de KU Leuven, en de toenmalige cursus Lineaire Algebra / Analytische meetkunde doceerde in het eerste bachelorjaar ...
Ik zet u op weg:
Heel handig is het volgende: als een rechte de x-as snijdt in A, en de y-as in B is haar vergelijking x/A + y/B = 1 (als A en B niet nul!).
Dat is makkelijk te zien want de niet-samenvallende punten (A,0) en (0,B) voldoen.
Eis dus dat het gegeven punt op een rechte van die vorm ligt, en eis ook dat A + B = 3, en los op naar A en B. Probeer maar eens.
Overigens, in "mijn" oefeningenbundel moest de rechte niet door (-2,4) gaan maar door (-2,-4). Dan zijn de berekingen 'mooier' qua getallen.
Er zijn nog geen reacties op deze vraag.
Enkel de vraagsteller en de wetenschapper kunnen reageren op een antwoord.